Wandelplezier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maandag, 18 juli 2011

 

 

 

Eindelijk, de kaap van de eerste 200 kilometer is bereikt! Het is feest, laat de champagnekurken maar knallen! De teller staat al op 205 kilometer, de start naar de 500 kilometer is gegeven! Joehoe! Joehoe!

 

 

Ach, vergeet al die onzin toch man. Ik ben helemaal niet in feeststemming, integendeel, ik voel me miserabel. En als je het woord ‘eindelijk’ dan toch persé wil lezen, dan zal ik dat meteen eens even in de juiste context plaatsen: ik ben ‘eindelijk’ leeggekakt. Eindelijk ja, want de overgang van kilometer 199 naar kilometer 200 bood zich bijzonder pijnlijk aan. Zo pijnlijk dat ik het niet vlug zal vergeten.

Misschien was het mijn eigen schuld ook, misschien had ik er om gevraagd. Het etentje op zondagavond was lekker maar vettig geweest, met de nodige koekjes en nootjes vooraf, gezellig met een biertje erbij, en natuurlijk nog een flinke portie ijs na de maaltijd.

En om niet met een lege maag naar mijn werk te moeten wandelen stond ik deze ochtend op tijd op. De boterhammen gleden al zwemmend in de melk naar binnen, en waarom niet, hup nog wat pudding erbij, wat kan het kwaad?

Wel, dat zal ik nu even uitleggen. De pudding dreef die maaltijd van gisterenavond in paniek naar de endeldarm, waar de brij zich enige tijd veilig leek te voelen. Tot ik aan de laatste kilometer begon, en ik zweer het je, een kilometer stappen kan verdomd lang duren als je dringend moet. De eerste kramp schoot als een schokgolf naar mijn anus en galmde als een gong naar mijn prostaat. Ik kneep mijn nooduitgang uit alle macht dicht en wandelde in overdrive naar mijn werk.

‘Kak dan toch in het bos!’, hoor ik je nu denken. Maar om het plaatje even te vervolledigen, buiten mijn wandelbroek had ik ook nog mijn regenbroek aan. Het regende oude wijven, ik had echt geen zin om op mijn hurken te gaan zitten en mijn bevallige reet met enkele natte bladeren schoon te vegen, terwijl de teken mijn intieme delen zouden bespringen.

Dus ik stapte verder, moedig maar met een klein hartje, en hoe dichter ik mijn einddoel naderde des te pijnlijker het allemaal werd. De druk op mijn anus werd bijna onmenselijk hoog. Het leek alsof het leger van Sauron tegen de poort beukte.

 ‘Ik moet niet kakken, ik moet niet kakken, ik moet niet kakken’. Het is een stukje psychologie, en als ik het maar genoeg bleef zeggen hielp het een heel klein beetje. Toegeven deed de pijn alleen maar toenemen.

Maar hoe goed ik ook mijn best deed, de laatste honderd meters waren een marteling à la Guantánamo Bay. De kracht ontbrak me zelfs om te rennen, als een kreupele ziel schuifelde ik door de lange gang richting de pot, waar ik mijn bibs ‘eindelijk!’ kon ontbloten. Met een nog steeds verwrongen gezicht welteverstaan, want de weeën golfden nog steeds op en neer. De druk op de poort werd nu voor de eerste maal bewust opgevoerd, maar het lukte me niet meer! En die pijn man, niet te doen.

Ik ademde zo rustig mogelijk in en uit, trachtte me te ontspannen en neuriede zachtjes, waarna ik mijn middenrif opspande en met de moed der wanhoop alle hens aan dek zette. En ...

 

 

 

 

JAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAHAHAHAHAAA!!!!!!

  

 

***

 

Liefst driemaal heb ik die dag naar de pot moeten hollen, en ook de kleine blaas speelde een vochtig spelletje met mij, ik leek wel een standbeeld te imiteren in Brussel stad.

Op het einde van de dag zette ik mij dan ook met een diepe zucht in de zetel, uitgepeigerd, af en toe een strakke wind latend, en terwijl mijn vriendin een chocoladetaart bakte besloot ik mezelf als compensatie voor al mijn leed op een film te trakteren. Eentje in de trend van Louis de Funès: Rien à déclarer…

Maar het bleek een echte kakfilm te zijn, een flop à la hiphop, en terwijl ik verveeld naar die klucht zat te kijken rolde de muziek van de film mijn half verdoofde brein binnen. Alsof die muziek gecomponeerd werd om mijn pijnlijk relaas wat te verlichten. Al leek de muziek van E.R. mij op het moment van mijn leed gepaster. Maar soit, de miserie is nu eindelijk voorbij.

 

 

 

 

 

 

Index