Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

26 februari 2010

 

 

‘Ga slapen’, zei ik tegen mezelf. ‘Droom verder in bed, en neem je herinneringen gewoon mee. Waarom moet je het persé weer op-schrijven?’

‘Omdat het zo overweldigend mooi was. Daarom. En omdat ik het wil delen, met iedereen die het maar wil weten. Ik wil het kwijt.’

Het kwam door de maan, en door de wind. Die als muziek rond mijn oren zong en de snaren van de bomen bespeelde. Maar die maan, die bijna volle maan, hij deed me al wandelend omhoog kijken, als een herboren Sammy, bezongen door Ramses Shaffy.

Het voelde aan alsof ik zweefde op het ritme van mijn stappen, op de verlaten weg die Salphen heet. En de maan beloerde me vol verbazing, alsof hij elk moment het Halleluja van Händel zou beginnen zingen, terwijl witte wolken in hoog tempo naar het oosten dreven, zoekend naar de staart van het wolkenpeloton.

Wat een wonderlijke gewaarwording, wat een vreugdegevoel! Ik voelde de warmte van verdoken zonnestralen, ik zag het azuur van de hemel, dat gevernist was tot het donkerblauw van de Stille Oceaan. Het maanlicht was zelfs zo fel dat de witte wolken die er voorbijdreven de kleur van brandend papier aannamen. Ik voelde me intens gelukkig, vol energie, terwijl het maanlicht het kabbelende water van de lopende beek sfeervol verlichtte.

Nog nooit had ik zo’n sprookjesachtige wandeling meegemaakt. De wei-landen waren besneeuwd met het licht van de maan, en de weg was één strook licht, die dimde als de wolken kortstondig voor de maan gingen hangen, als wazige sluiers van witte damp. Alsof het de zon was die aan de hemel stond.

En Mars dan, hij stond nog hoger dan de maan, gekleed in roestig oranje, schitterend als goud, én lonkend naar Sirius, die slechts enkele lichtjaren boven de horizon hing, flikkerend in onschuld, maagdelijk wit, en waarbij ik een vleugje blauw opmerkte, alsof het een lichtpuntje betrof van een ver afgelegen projector, die zoemend de hemel verfilmde.

Ik wandelde langs bomen, waarvan enkel de berken zich lieten beschijnen, en de anderen nog maar net uit de aardkorst leken gekropen te zijn, gewikkeld in een kleur, donkerder dan de puurste chocolade. En ik bewandelde een plek waar de wind zich niet liet zien, en ik hem ver achter het bos hoorde gieren, alsof ik in een vacuüm zat, zo irreëel, zo magisch mooi. Waarbij ik bij elke boom een paar duiven hoorde schrikken, opnieuw en opnieuw, alsof het vuurpijlen waren die fladderend de hoogte inschoten, alsof ze een rode loper voor mij uitrolden, alsof ze voor me salueerden, bij elke vijf stappen die ik gezet had. En de staart van de Grote Beer hing verticaal naar beneden, ik wilde hem grijpen, ik wilde boven de bomen slingeren, maar ik kon er nét niet aan.

Wat een landschappen, wat een dromerij! Ik passeerde een electriciteitsmast die leek op het geraamte van een ruimteraket, vastgehouden door draden van stroom, met plastieken planeetbollen, hoog in de lucht. En de kleur van de hemel, ik kan er niet over ophouden, maar het leek wel alsof ik in de tijd was teruggekeerd, alsof ik een verkleurde polaroidfoto zat, en de grote statige boerderij, met het rieten dak dat bijna de grond likte, slechts een momentopname was. En bij elke stap leek ik een jaar terug in de tijd te gaan, en zag ik mij weer als kind terug, en rook ik de geur van het verleden, en proefde ik de prikkelingen van mijn allereerste verliefd-heid.

Zo onwerkelijk mooi, die maneschijn, die de bladeren van de rhodedendron betoverde tot witte Hortenzia’s, en die de sterrenbeelden tot leven blies, waarbij de Voerman een gigantische kruik leek te zijn, die schuin naar beneden hing, en waar Orion zich gulzig aan laafde, alsof hij net van een veldslag was teruggekeerd.

Op wolkeloze momenten liet de Maan dan weer een goddelijke stralen-krans zien, en op andere momenten kleefden de wolken als een wormgat rond de Maan, alsof de hemel zich openbaarde, alsof de engelen mij wilde verleiden, alsof ze me wilden meenemen.

Maar ik stapte door, steeds vlugger, ik marcheerde over witgeblakerd asfalt, waarbij Orion als een vlieger voor mij heen dreef, zwevend voor mijn neus. Bij elke stap zakte hij meer en meer naar beneden, achter de hoge bomenrij, alsof ik het touw zelf in handen had, alsof ik hem zelf aan het binnenhalen was. En de wind dreef de bomen dan weer tot waanzin, alsof er een waterval vol kracht in een ravijn stortte.

Ik kon me niet meer houden, het laatste stuk begon ik te lopen, te rennen, en onverwacht werd ik begeleid door een percussie van op-springende muntjes, die dansten in de vergeetput van mijn jaszak. Steeds vlugger, heftiger, liet ik me opzwepen, begon ik te sprinten, sneller, sneller, hapte ik naar adem, bonste mijn hart in mijn keel, en riep ik zo hard ik kon: ik leeeeeeeef! Ik … LEEEEEEEEEEEF!!!

 

 

 

 

Vorig verslag / volgend verslag