Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

23 oktober 2009

 

 

Ik ben er bang voor, panisch zelfs, en de fobie achtervolgt me al heel mijn leven, zet een spin op mijn lijf en ik schreeuw het uit. Kom op zo’n moment ook niet in mijn buurt, want als ik hysterisch ben raast mijn lijf als een ongeleid projectiel naar de meest onschuldige zielen toe. Zelfs de bomma is dan niet veilig.

En ook al ben ik zo verliefd op de herfst, elk jaar nemen die obese kruisspinnen weer bezit van mijn tuin, elk jaar ben ik totaal paranoia als ik de graskant naast de haag en de struiken moet afrijden. Tot mijn afgrijzen hing er dit jaar zelfs een kanjer voor het keukenraam. Een web zo groot als Kopenhagen, waarbij de talrijke vliegenkadavers me elke dag het besef opdrongen hoe gruwelijk het leven kan zijn. Het verpeste elk keukenmoment.

Tot er zich iets onverwachts voordeed: op een dag lag de spin dood op de vensterbank. Ik kon het amper geloven, want de dag voordien hing ze nog als een waar ornament in haar web. En nu lag ze daar plots op haar rug, de acht poten gekruist. Uitgedroogd, gekrompen. Ik werd tot mijn verbazing overvallen door een gevoel van medelijden. Meer zelfs, ik was geschokt.

Temeer omdat ik geen enkele kwetsuur zag. Ik begreep het niet. Spinnen horen niet zomaar te sterven, spinnen horen door vogels opgepeuzeld te worden, of door een vijandige soortgenoot aangevallen te worden. Of toch op zijn mínst in de stofzuiger te verdwijnen. Maar spinnen die aan een hartaanval of longembolie overlijden? Gedurende achtendertig jaar was deze mogelijkheid mij vreemd geweest.

Op een rare manier had ik zelfs een soort relatie met het beest ontwikkeld. Ondanks mijn angst. We gedoogden elkaar, we lieten elkaar met rust. En het leek daarnaast of ze in de fleur van haar leven was, dolgelukkig, met een goed onderhouden web waar ze terecht trots op mocht zijn. Een web dat er nu opvallend gehavend uitzag. Qua symboliek kon dit tellen.

                                         ______

 

Ik weet niet waarom, maar op het moment dat ik mijn Hyundai i30 de toeren in jaag dwalen mijn gedachten weer af naar die keukenraamspin. Ach, misschien heb ik gewoon de blues. Misschien speelt de herfst een spelletje met mij, en blaast ze al lacherig een sluier van melancholie over mij heen. Iets wat ik maar matig kan appreciëren eerlijk gezegd. Ik klik de CD-speler aan, pianoklanken vullen het interieur. Gnossienne nummer 4*. Van Satie, uiteraard.

Ik draai de laatste bocht in en rijd richting aardeweg. De waarneemplek is nog slechts een steenworp ver. Eindelijk kan ik mijn vrienden nog eens zien: de paarden, die me met hun ademhaling elke keer weer weten gerust te stellen. Eindelijk kan ik nog eens lekker eenzaam waarnemen. Ver weg van alle beschaving.

Toch zit ik met een onheilspellend gevoel. Nevel siert het aardoppervlak. Misschien is het een waarschuwing, een teken dat een waarneemplek per definitie nooit de ideale plek is om waar te nemen. De paarden blijken daarnaast in geen velden te bekennen te zijn. Slechts een grote leegte vergezelt mij. Een windloze vlakte, alsof ik gevangen zit in een schilderij van Pieter Bruegel. Ik kijk naar boven, naar de sterren. Ze proberen me iets te vertellen, maar ik begrijp hun taal niet.

Maar ik ben dan ook maar een mens. Of noem me gewoon een dier, een zoogdier. Het woord mens klinkt mij zo verwaand. Ik kan denken, lachen, en ik heb gevoelens, soms zelfs teveel. Maar elk dier heeft hersenen en kan denken. Elk dier kent gevoelens zoals angst, lust, verdriet. De enige reden waarom ik gebruik maak van technologie is omdat anderen ze voor mij uitgevonden hebben. En als we dan toch zoveel slimmer zijn dan alle andere dieren, waarom verpesten we dan met zijn allen het milieu? Waarom blijven we ons als een kwaadaardig gezwel uitbreiden op onze kostbare planeet, en moet alles wat in onze weg staat daarvoor wijken?

Maar ik dwaal af. Ergens naar Andromeda, in de schaduw van het dubbel-cluster. Met de laagste vergroting laat NGC957 zich niet zien. Slechts één enkel sterretje merk ik op. Ik neem mijn barlow en ontwaar nu een kromgeblazen rij van zwakkere sterren. Bij een vergroting van 130 maal laten nog enkele zwakkere sterren zich opmerken. Ze staan duidelijk verspreid van elkaar, ik tel zo’n twintig stuks. Geen spectaculaire sterren-hoop. Helemaal geen wauw-gevoel.

Ook niet bij de volgende sterrenhoop: NGC637 in Cassiopeia. Marginaal klein. Echt een zielig hoopje. Bij 130 maal zie ik een recht lijntje van enkele zwakke sterretjes, waarbij in het midden enkele sterretjes in een boogje lijken te staan. Loodrecht daarop merk ik een dubbeltje op. Meer kan ik er echt niet van maken. Voor de mensen die hem nog niet bekeken hebben: bespaar jezelf de moeite.

En nu ik toch in Cassiopeia zit besluit ik NGC281 nog even mee te nemen. ‘Pacmannevel’ lees ik op mijn blad. Ik neem hem met de laagste vergroting en en schroef het UHC-E filter op het oculair. Ik meen wel iets van neve-ligheid op te merken, maar voor hetzelfde geld verbeeld ik het me ge-woon. Ik merk trouwens verbazend weinig sterren op. Bij de helderste ster merk ik een zwak dubbeltje op, tenminste, als ik hem 130 maal vergroot. Ook dit object geeft mij weer een stabat matergevoel. Balen met andere woorden.

Het lijkt me niet mee te zitten deze avond. De nevel romdom mij is on-rustwekkend toegenomen. Bijna neem ik het woord mist in mijn mond. Maar gelukkig is de sterrenhemel nog steeds een streling voor het oog. Ik kan zelfs de melkweg via Perseus over mijn hoofd richting Zwaan zien lopen. Prachtig. De stier staat daarbij klaar om de sterrenarena te be-stormen. De Pleiaden zijn hierbij een ware delicatesse door de verrekijker, en tot mijn voldoening zijn de sterren beschilderd met de kleur van dampend badwater.

Het hoofd van de stier is niet te negeren. Leergierige Hyaden springen levenslustig in het rond. Vlakbij staat de koperkleurige Betelgeuze te blinken. Arme rode reuzen, voor hen kondigt de klok genadeloos het einde aan. Maar voor hen geen euthanasie, ze moeten de hele rit uitzitten, of ze nu willen of niet, of ze nu afzien of niet. Hun lijden dwingt bij mij een kosmisch respect af. En in tegenstelling tot Betelgeuze zijn de jonge Hyaden zich nog niet bewust van hun sterfelijkheid. Voor hen is een rode reus altijd een rode reus geweest, en beseffen ze nog niet dat hen ooit hetzelfde lot te wachten staat. Hun geluk is nog puur, onschuldig.

De gedachte dat onze zon er ooit ook mee ophoudt doet me huiveren. Ooit zal het heelal er nog zijn zonder onze Aarde. Zelfs de meest beroemde zielen, zij die na hun dood onsterfelijk geworden zijn, musici zoals Bach en Brahms, kunstenaars zoals Rubens en Caravaggio, ook zij zullen uiteindelijk sterven.

Want er komt ooit een moment dat er geen muziek meer hoorbaar zal zijn, dat er geen schilderijen meer tentoongesteld worden, dat er geen baby’s meer geboren worden, dat er niet meer naar de sterren gekeken wordt. Ooit komt er een moment dat er geen liefde meer bestaat, dat alle gevoelens uitgeblazen zijn, dat alle herinneringen voorgoed weggevaagd zullen zijn. Ooit komt er een moment dat er zelfs geen stukje puin meer overblijft. Niets. Alsof de mens nooit bestaan heeft, alsof het leven slechts een droom geweest is, in een soort onbegrijpelijke slaap waaruit we nooit zullen ontwaken.

Ik kijk naar Perseus en bekijk Melotte 20. Zonder twijfel behoort deze hoop bij de top vijf van de verrekijkerobjecten. Ik vind hem zelfs zo mooi dat ik hem amper kan beschrijven. Sterren die sierlijk kronkelen, alsof ze een sterrendans uitvoeren begeleid door de mooiste harpmuziek. Wat een sterrenpracht.

De Voerman laat zich nu ook mooi zien, ook al staat hij nog laag aan de hemel. Eén van de drie voermannetjes toont zich als een verlegen scheetje, en in tegenstelling tot Betelgeuze is het koper van Capella duidelijk nog recent opgepoetst. En de Grote Beer dan, nu hij zo laag aan de horizon staat vind ik hem adembenemend mooi. Het lijkt alsof het zwaartepunt naar de steel verschoven is, waardoor het pannetje wat gekanteld staat. De lichte gloed van de horizon verraadt een matig vuurtje.

Wat een prachtige plek is dit toch. Als ik mocht kiezen dan zou ik liefst hier sterven, op de waarneemplek. Een sterrenhemel als graftombe, welke kist kan daar tegenop? Laat de rigor mortis zijn gang gaan, laat het mijn lichaam beschilderen met de prachtigste kleuren. Laat het mijn lichaam inzakken, hier, op deze plek. Spinnen zullen door mijn oogkassen kruipen, een web maken in mijn opengesperde mond.

En ik zal geen krimp geven, ik zal vervlogen zijn, naar een toestand waar tijd niet bestaat. Want meer is het uiteindelijk niet: leven en dood, geboren worden en sterven. De tijd daartussen vullen we slechts met zaken die ons nuttig lijken. Enkelingen zoals mij beloeren hierbij in stilte het heelal. En als ik dan toch één verschil moet geven met al die andere diersoorten op Aarde, dan is het misschien die ene vraag die op mijn lippen ligt. Een vraag die ik maar niet kan loslaten, een vraag die even onvermijdelijk is als de doodsreutel die ooit mijn stembanden een laatste keer zal doen trillen: Waarom?

Ik weet niet waarom, ik weet begot niet waarom. Maar om een on-verklaarbare reden voel ik de behoefte opkomen om te stoppen met waarnemen. Ondanks de sterrenpracht wil ik naar huis. Misschien is het dát wat de sterren me proberen te vertellen: ‘Vanavond niet, Jurgen. De reden hoef je niet te weten. Maar vanavond niet.’ Ik laat mijn blik enkele seconden op de sterrenkijker rusten. Nog geen vijf minuten later heb ik alles in de auto geladen, maar alvorens ik instap kan ik het niet laten een laatste keer naar boven te kijken. De sterren kijken me vriendelijk aan. Vastberaden.

Ik verlaat de zandweg en duw het gaspedaal in. Het aluminium statief in de kofferruimte trilt en maakt een ergerlijk geluid. Ik klik de vierde Gnossienne terug aan en zet het volume iets hoger. Een eenzame wandelaar trekt mijn aandacht. Het is een oude man, hij draagt een opvallend groot hoofddeksel, en op het moment dat ik hem nader kijkt hij wat argwanend in mijn richting. Gedurende een fractie van een seconde slaag ik er in oogcontact te maken, ik meen iets van mezelf te herkennen in zijn ogen. Maar het volgende moment zie ik hem enkel nog in mijn achteruitkijkspiegel staan.

 ‘Zet die hoed af meneer’, prevel ik bij mezelf. ‘En geniet van de sterrenhemel... nu het nog kan.’

 

 

 

 

 

Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_________