Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Elke dag komt hij door de straat gewandeld, een oude man met een zelfgerolde sigaret tussen de lippen. Slenterend, de handen op de rug, het hoofd licht gebogen. Verzonken in gedachten, met de blik op oneindig.

 

En elke keer als ik hem zie, kan ik het niet laten om hem stiekem aan te kijken. Hoe zou de man op het leven terugkijken, vraag ik me dan af. Wat is zijn levensverhaal, en waar zit hij met zijn gedachten?

Ook ís nachts kom ik hem wel eens tegen. Elke keer als ik met de sterrenkijker in de tuin zit, verborgen achter de coniferenhaag, hoor ik zijn voetstappen op slechts enkele meters afstand. De trage tred verraadt de man, en bijna ademloos luister ik dan naar zijn stappen, die het gewicht van het verdriet met zich mee lijken te slepen. Alsof ik het geluid van het verleden hoor, van het gemis, van de eenzaamheid.

Ik heb er eigenlijk geen idee van waarom ik dit nu vertel. Misschien omdat de nacht gevallen is, en de man zo dadelijk weer aan zijn wandeling begint, via zijn vaste route. Alleen zal ik hem ditmaal niet horen, ik trek er namelijk zelf op uit, want deze nacht is speciaal. Deze nacht is het volle maan.

 

 

23.aug.2010

 

ĎDag vleermuisje, fluister ik in mezelf, terwijl het diertje als een satelliet om mij heen cirkelt. Ik kijk een eerste maal naar boven, en zie hoe de gewatteerde wolken de sterrenbeelden omkaderen, boven de door maanlicht verlichte huizen. De temperatuur is mild te noemen, ondanks de wind, die de bomen tot fluisteren dwingt.

Al vlug laat ik de huizen achter mij, en wandel ik tussen de weilanden en bossen van Zoersel over een onverlichte weg, waar Jupiter mij aanstaart. In het trillende beeld van de verrekijker toont de planeet zich als een geelachtige bol. Drie manen staan aan de linkerzijde, een koppig maantje aan de rechterzijde. Het lijkt op verre feestverlichting, hangend aan een strakgespannen snoer.

Korte tijd later komt het gekabbel van de Lopende Beek me tegemoet, en waan ik mij in een sprookje. Op deze plek tsjirpen de krekels vol passie. Het is een windloze plek, waar ik de wolken vol ongeduld naar het oosten zie zweven.

Ik blijf hier even staan, en verwonder mij over de schoonheid van de omringende landschappen, die baden in maanlicht. Af en toe waagt een puberachtig wolkje het om voor Jupiter te gaan hangen, waardoor de planeet zich als een dobber gedraagt die treuzelend onder water getrokken wordt.

Een vijftigtal meter verder stop ik een tweede maal, en richt ik de verrekijker naar het sterrenbeeld Perseus. Op deze plek verwent het hooi mijn reukorgaan, en geniet ik van de harpfiguur in Melotte 20. In een opwelling draai ik me om, en richt ik de verrekijker naar de volle maan. Het is het mooiste object dat ik deze nacht onder ogen krijg. Wat een prachtig beeld. Het lijkt of er een lamp brandt in de maan, die af en toe door de wolken gedimd wordt, waardoor het reliŽf op de maan zich in alle naaktheid toont.

De zeeŽn tekenen zich opvallend duidelijk af, en krater Tycho toont zich als een fiere pauw, met zijn stralenkrans ver opengesperd. Door de snel voorbijdrijvende wolken lijkt het trouwens alsof het niet de wolken zijn die bewegen aan de hemel, maar wel de maan. Het lijkt haast alsof ik de maan in snel tempo rond onze planeet zie draaien. Wat een verbluffende illusie.

Maar de wind wordt venijnig. Ik wandel verder en zie hoe de wolken de sterren verslinden. De bomen lijken me te willen waarschuwen, alsof ik me te ver gewaagd heb. Enkel de krekels stellen me nog gerust.

En dan trekt een plas regenwater mijn aandacht. De hemel wordt erin weerspiegeld. Ik zie de maan stralen naast het asfalt, gevangen in miljarden druppels. Het is een kunstwerk waar ik minutenlang naar blijf staren, tot de maan onverwacht overschilderd wordt.

Ik kijk terug naar boven, waar donkere wolken in kolonne richting zenit marcheren. Vol respect bewonder ik Altair, een ster van onze zomerdriehoek, die moedig tussen al dat wolkengeweld blijft priemen.

Tien minuten later wandel ik voorbij een huisje dat van peperkoek gemaakt is. Het dak tekent zich als een heksenhoed tussen de bomen af. Op de bovenverdieping brandt er een lichtje dat zich door het gesloten gordijn weet te wringen. De kleur van warm oranje tekent zich uitnodigend tegen de duisternis af. Een duisternis waar gekraak mij even doet opschrikken. Ik voel mij in de gaten gehouden.

Ik wend mijn blik terug naar boven, en zie de Zwaan naar het westen vliegen. Machtig, en door de wind heeft zelfs Wega moeite om het trapezium in bedwang te houden. En het maanlicht zeeft de hemel genadeloos, waardoor enkel de helderste sterren blijven liggen. Een hemel bekleed met sterrenprikjes, die schitteren als diamanten. Het lijkt zo artificieŽl, zo surrealistisch mooi.

Gelukkig laat de maan zich niet lang bedekken, fel stralend verwarmt hij mijn gezicht alweer. Een krans ontplooit zich, en ik vraag me plots af waarom ik hier alleen ben, op deze onverlichte weg. Waarom geniet niemand anders van deze sprookjesachtige plek? Wat bezielt iedereen om op dit moment in bed te liggen?

Op wolken loop ik verder, voorbij lange oprijlanen, die de tongen zijn van eenzame boerderijen. Ook de koeien slapen niet, met hun kettingen ontwaken ze de stallen. De Grote Beer pronkt fier boven zoín stal uit, alleen lijkt het beeld niet te kloppen. Onder de steel van de Beer fonkelt een ster die daar niet thuishoort. Ik kijk naar een vervormd sterrenbeeld. Wat is hier aan de hand?

Op het eerste gezicht blijft het witte stipje bewegingloos hangen en kijk ik duidelijk naar een ster. Maar na een tijd zie ik het traag naar beneden glijden, richting de bodem van het pannetje, waar het langzaam uitdooft. De Grote Beer maakt nu weer indruk, en ik heb geen idee wat ik net te zien kreeg.

Veel tijd om hierover na te denken heb ik niet, want het maÔsveld danst sierlijk mee met de wind, alsof vreemde wezens kriskras door elkaar lopen, onzichtbaar voor mijn oog. Mijn fantasie slaat op hol, waarop Aziza, een Azerbeidzjaanse muzikante die me al weken in de ban houdt, me plots bij de hand grijpt en me mee in het maÔsveld begeleidt. In een graancirkel speelt ze op haar piano en zingt ze een lied, helemaal voor mij alleen.

Onverwacht snel kom ik bij de kapel van Salphen aan, die verscholen ligt in het bos. Zelfs het maanlicht breekt op deze plek niet door de bomen. De rust op deze plek klinkt bijna oorverdovend, en ik zet mij voorzichtig neer op een houten bank. Ik ben halfweg, en in stilte verheug ik me al op de terugweg. Als Alice in Wonderland.

 

 

 

Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_________