Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

23 juni 2010

 

 

 

Met mijn handen in het sop liet ik mijn blik door het keukenraam in de tuin glijden, waar de dobson in alle rust onder de blauwe avondhemel stond te wachten. Het was zo’n moment om u tegen te zeggen, en verzonken in gedachten trachtte ik een kunstwerk op te roepen dat de schoonheid van dit dobsonian tafereeltje zou kunnen evenaren. Het lukte me niet.

Ik kon het niet laten deze avond. De drang om in de tuin te zitten en te genieten van het heerlijk warme weer was overweldigend. “Het wordt een heldere avond”, zei Frank Deboosere enkele uren daarvoor nog tijdens het weerbericht. “Geniet van de sterren en de Maan.”

Die Maan zou de hemel vreselijk vervuilen trouwens, en het leek wel of de Maan zich terdege bewust was van zijn immorele daad, waardoor hij zich geschrokken probeerde te verstoppen achter de oude coniferenhaag. Tevergeefs echter.

Maar het kon mij niet schelen, met het blote oog was de Maan een streling om naar te kijken. Zo laag tegen de horizon nam hij de kleur aan van de Sahara, en het zwoele zomerweer gaf mij kriebels van genot. Dit zou een heerlijke avond worden.

Als eerste richtte ik de sterrenkijker naar Alpha Umi, en ik kan nog altijd niet begrijpen dat ik hem nooit eerder heb bekeken. Natuurlijk, elke waarneemsessie gebruikte ik die Poolster om de parallactische montering af te stellen, en zelfs nu gebruik ik hem nog om de object locator uit te lijnen. Maar ik stond er nooit bij stil dat de Poolster een dubbelster is.

Door het 25mm plösseltje (48x) toonde de begeleider zich tot mijn verbazing al vanaf de eerste seconde. Waarom had ik die nooit eerder gezien? Door de Pentax XW10 stond hij trouwens nog een stuk mooier in beeld. Een zwak geelkleurig sterretje dat op relatief grote afstand staat van zijn felwitte hoofdster. Dit vond ik al een geslaagd begin, temeer omdat de Poolster door de melkachtige hemel nog maar nauwelijks te zien was met het blote oog.

Mu Draconis bevond zich bijna in het zenit en kreeg ik met het plösseltje niet gesplitst. Pas als ik de XW10 in de oculairhouder liet glijden zag ik met moeite twee geelkleurige sterren van dezelfde helderheid. De afstand tussen beide sterren was zeer miniem, pas bij goed turen was er een smalle opening zichtbaar. Leuk wel, een heel verschil met de Poolster.

En van een verschil gesproken, 16 en 17 Draconis floepten als eeneiige tweelingen in mijn plösseltje en stonden bijna vreselijk ver van elkaar verwijderd. Prachtig gewoon, twee felle sterren die de kleur van wit aannamen en alle omgevingssterren tot nederigheid dwongen. Door de XW10 onthulde de dubbelster nog een derde sterretje dat als een kleuter naast 17 Draconis stond. Een kleintje dat werkelijk beeldig in contrast stond met zijn twee heldere kompanen.

Ook Nu Draconis was zo’n felle dubbelster die zich ook al door de 9x50 zoeker mooi liet splitsen. Het plösseltje bleek ook ditmaal genoeg te zijn om de dubbelster in alle heerlijkheid te kunnen bewonderen. Een duo waarvan ik de kleur meer naar het gele toe vond gaan. De onderlinge afstand tussen beide sterren was hier ook weer opvallend groot.

Onverwacht blies de volgende dubbelster me bijna van mijn pianostoel. Omi Draconis toonde zich als een beeldschoon juweeltje aan de hemel en gaf mij onmiddellijk het gevoel dat ik de allermooiste dubbelster gevonden had. Door de XW10 was deze dubbelster werkelijk adembenemend mooi. Terwijl de hoofdster schitterde alsof hij van goud gemaakt was, toonde de zwakkere begeleider zich in de kleur van blinkend koper. Het werd nu eindelijk ook wat donkerder, waardoor de omgevingssterren meer op de voorgrond traden. Het hele beeldveld werd hierdoor een waar genot om naar te kijken, als een schilderij dat zijn voltooiing naderde. Wat een schatkamer is het heelal toch. Prachtig!

Ook 40 en 41 Draconis bleken een gezonde dosis originaliteit te bevatten. Ik zag hen als twee goudkleurige sterren die met het plösseltje netjes te zien waren, al was de afstand tussen beiden een stuk kleiner dan de vorige dubbeltjes. En ik weet dat ik in herhaling val, maar ook deze twee heren toonden zich het mooiste in de Pentax. Twee sterren van dezelfde helderheid en dezelfde kleur, braafjes naast elkaar. Laat ik het de kracht van de symmetrie noemen.

Ik liet de Draak voor wat hij was en draaide de dobson richting Cepheus. De felle hoofdster Beta Cephei was mijn volgende doel. Hij toonde zich maagdelijk wit, en ik zag er met momenten zelfs een zweempje blauw bij. Zijn begeleider stond er als een gedimd lichtje naast dat blonk in bescheidenheid. Hierdoor kon ik moeilijk een kleur op die zwakke begeleider kleven. Ik zag hem meer wit denk ik, met momenten zelfs grijs, en ik zou gezworen hebben dat ik er ook een likje eigeel in zag. Een fascinerend dubbeltje in ieder geval.

Vlug naar de volgende weeral. Delta Cephei, ik kon hem met een lage vergroting al mooi ontwaren. Twee sterren die op redelijk grote afstand van elkaar staan en verschillende helderheden tonen. De helderste ster zag ik duidelijk geel van kleur, maar de zwakkere liet zijn gelaat een stuk moeilijker kleuren. Ik zou hem eerder geel noemen, misschien met wat blauw erbij ook. Het waren ook de omgevingssterren die van dit duo een extra mooi schouwspel maakten trouwens. Nice.

Ik moet nog even opmerken hoe opvallend weinig sterren er met het blote oog te zien waren aan de hemel. Zelfs de helderste sterrenbeelden bleken zich ontzettend zwak te tonen. Indien ik de dubbelsterren met behulp van een sterrenatlas had moeten zoeken, had ik ze door de magere sterrenhemel vermoedelijk niet allemaal gevonden. Godzijdank kon ik de object locator gebruiken.

Xi Cephei vervolgens, die in de object locator als E2863 (?) terug te vinden is. Dit dubbeltje liet zich eigenlijk redelijk zwak zien. Beide sterren waren geel van kleur en lieten zich wel mooi scheiden. Ze stonden in een arme omgeving maar waren desondanks toch de moeite om naar te kijken. En op het moment dat ik van dit dubbeltje aan het genieten was fantaseerde ik plots dat ik de tijd zou kunnen versnellen, waardoor ik met mijn eigen ogen de begeleider zou zien ronddraaien. Dat zou pas mooi zijn. Stel je voor. Al had ik er in dit geval geen idee van wie rond wie zou draaien.

Maar er was ondertussen al een uur voorbijgevlogen. Gekleed in mijn poloshirt kreeg ik het wat fris. Nog een laatste object wilde ik zien alvorens ik de avond afklokte: NGC6826, bijgenaamd de Blinking Planetary. Ik had er geen idee van of hij zich zou laten zien met al dat maanlicht, en met de 13 cm Newton had ik er vorig jaar al enkele avonden vruchteloos naar gezocht. Ik hoopte hem nu eindelijk eens een keertje te zien.  

En ik had geluk, want ik had hem binnen de kortste keren in beeld staan. Het eerste wat me opviel was een sterretje dat door een cirkelvormig neveltje omringd werd. Verbluffend, want op het moment dat ik me afvroeg waarom hij Blinking Planetary genoemd wordt verdween het neveltje plots in het niets. Ik kon het amper geloven, enkel het sterretje gaapte me nog aan, en op het moment dat ik wilde gillen sprong het neveltje onverwacht weer tevoorschijn. Mijn adem stokte, wat een prachtig ding! Zeven, acht, negen, nee tien keer liet ik hem knipogen, opnieuw en opnieuw, waarbij ik het uiteindelijk niet kon laten om ook even in de omgeving rond te dwalen en ik onverwacht weer op iets leuks stuitte. Iets onbekend.

Ik zocht even in de Pocket Sky Atlas, het bleek Psi Cygni te zijn, een dubbelster die uit twee gele zonnen bestaat die op relatief grote afstand van elkaar staan en alle omgevingssterren leken weg te blazen. Ik grinnikte, ook het laatste object van de avond bleek dan toch nog een dubbelster te zijn. Voldaan keek ik een laatste keer naar boven, waarop er spontaan weer een knipoog volgde. Alleen kwam hij dit keer van mij.

 

Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_________