Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17 juni 2009

 

 

Het is 1 uur ’s nachts op het moment dat de wekkerradio me in één klap uit mijn slaap rukt. Geschrokken klik ik de radio zo vlug mogelijk uit. Tijd vliegt als je slaapt. Langzaam adem ik een keer diep in en weer uit.

Opstaan en mezelf aankleden, het lijkt simpel, maar om de één of andere reden wil het blijkbaar niet lukken. Mijn benen willen niet meer mee. Het lijkt alsof ik verweven ben met mijn bed, alsof ik in een web van rust gevangen zit en een slaapspin alle energie uit me wegzuigt. Mijn ogen lijken wel dichtgelijmd.

Ik besluit nog even te blijven liggen en langzaam wakker te worden. Vooral niets forceren, gewoon af en toe een wazige blik naar de wekkerradio richten. Een wekkerradio die me trouwens opvallend vals aankijkt, want plots is het al kwart na één, en de volgende seconde blijkt het plots half twee te zijn.

Mijn karakter krijgt het zwaar te verduren. Waarom zou ik opstaan? Heb ik geen recht op slaap? En welke gek staat er op dit uur op? Moet ik een vliegtuig halen?

Kwart voor twee.

Ik ben een loser. Nog langer blijven liggen heeft geen zin meer, dan kan ik beter gewoon verder slapen en doen alsof de wekker niet is afgegaan, doen alsof ik helemaal niets gepland heb. Ik leg mijn hand op mijn voorhoofd en zucht. Het volgende moment sla ik de deken weg en zwier ik tegelijkertijd mijn benen uit bed. Een pijnscheut doorklieft mijn hoofd, mijn maag lijkt zich te willen omkeren.

Op mijn blote voeten waggel ik naar de gang. Ik weiger het licht aan te steken en zoek mijn kleren op de tast. Nog steeds heb ik mijn ogen niet geopend, ook niet op het moment dat ik de trap afga en het toilet binnenstap. Maar ik weet dat mijn vriendin het haat als ik naast het toilet plas, en als ik ga zitten val ik waarschijnlijk ter plekke in slaap. Dus ik doe het gewoon, ik knip het licht aan. Pijnlijk. Heel pijnlijk. Uit wraak voor dit lijden pis ik de ziel uit mijn lijf.

Ik geeuw en rek me uit. Via de woonkamer stap ik naar de keuken, via de keuken stap ik naar de traphal, via de traphal stap ik naar de garage. Bijna vergeet ik het alarm uit te zetten. Ik open de automatische poort, slechts enkele meters scheiden me nog van de nachtelijke hemel. De auto kijkt me nieuwsgierig aan, nog steeds lijkt hij niet te snappen waarom hij niet binnen mocht staan. Alles is reeds ingeladen, ik hoef enkel in te stappen en te starten.

Maar ik richt eerst een blik naar boven. Sterren, jawel, ik zie sterren!

Nieuwsgierig naar welke muziek Klara op dit uur van de nacht speelt klik ik de radio aan. Het blijkt barokmuziek te zijn, maar het lukt me niet om een componist op de muziek te plakken. Ik tuf langzaam verder naar de waarneemplek, en plots zie ik hem, mijn aartsvijand, laag in het oosten, vermomd in een dieporanje kleur: Janneke. Zijn achternaam weiger ik uit te spreken.

Het gras op de zandweg moet dringend gemaaid worden, het sleept tegen de onderkant van de auto en veroorzaakt een griezelig geluidje. Flarden nevel raken het licht van de koplampen. Ik parkeer de auto op mijn vertrouwde plek en stap uit. Het gekwaak van kikkers overvalt me, wat een leven. Zelfs de paarden zijn wakker. Heb ik hen gewekt?

Maar ik ben niet gekomen voor de dieren, wel voor de sterrenhemel. Ik kijk en laat mijn ogen terug wennen aan het donker. Ik zie een zachte waas van melkweg in de Zwaan, nauwelijks zichtbaar. De plek waar de Boogschutter zich bevindt is één grijze zone, ik merk nauwelijks sterren op in die richting. Langzaam dringt het besef tot mij door dat het ontzettend vochtig is. Ik lijk omringd te zijn door mist. Het geeft de plek een surrealistisch karakter, alsof ik in een droom zit en helemaal niet naar hier gereden ben. Lig ik nog in bed misschien?

En plots merk ik dat ik mijn rode lampje vergeten ben. Dit is niet te geloven, ik had me zo goed voorbereid, ik had zelfs vers schetspapier afgedrukt, potloden geslepen, extra wattenstaafjes meegenomen, kaartjes afgedrukt. Wat een kemel van formaat.

Even bekruipt me het gevoel om terug te rijden, om vlug even dat lampje te gaan halen. Maar een eng gevoel overvalt me. Ik neem de verrekijker en speur naar het zuiden. Mist en nevel lijken roet in het eten te gooien, de luchtvochtigheid is verschrikkelijk, zelfs de autoruiten zijn binnen de kortste keren kletsnat.

Met de verrekijker speur ik het zuiden af. The Wild Duck Cluster laat zich als een neveltje zien, en in de Schorpioen stoot ik op een onbekende bolhoop. Maar de nevels die ik hoopte te vinden laten zich niet zien. De moed zakt me in de schoenen. Geef me alsjeblieft een wauwgevoel sterrenhemel, geef me iets, een vallend sterretje, weet ik veel. Iets.

Ik vraag me af waar Janneke te vinden is. Tijdens de heenrit kon je er niet naastkijken, en nu blijk ik hem niet te vinden. Ik wil hem zoeken maar wordt plots opgeschrikt door een ijzingwekkend geluid, een geluid dat over de vlakte galmt als de torenklok van de Notre Dame, dit slechts op enkele meters verwijderd van mij. Struikgewas belet mij iets te zien, maar er staat blijkbaar nog een andere ezel op deze waarneemplek. Het gebalk doet zelfs de kikkers ophouden. Wat een lawaai.  

Goed, Janneke dus. Ik verlaat de waarneemplek en wandel verder over de zandweg. Ik kan mijn sterrenkijker gerust even onbeheerd laten staan, geen kat kom je hier tegen.

En daar zie ik hem plots, Janneke, schijnend tussen de bomen. Ik richt de verrekijker. Jawel, hier is dat gevoel, dat wauwgevoel, dank oh dank!! Wat een prachtig zicht, Janneke toont zijn typisch lange kin en is bedekt met een sliert van nevel. Hierdoor zie ik geen enkele krater, en door de dieporanje kleur van Janneke lijkt het wel of ik naar de planeet Mars zit te kijken. Dit is zo ontzettend prachtig, hier zou je een foto van moeten nemen, wauw oh wauw!!

In een poging hem boven de bomenrij te aanschouwen klim ik over een stuk prikkeldraad en wandel ik een weide in. Prachtig, ik kan het met geen woorden beschrijven, het is gewoon niet te beschrijven, zo mooi … zo woordenloos mooi…

De avond kan nu eigenlijk niet meer stuk. Ik wandel terug naar de waarneemplek en raak de sterrenkijker aan. Even kijken hoe die M11 er door de sterrenkijker uitziet. Ik heb hem vlug gevonden en stel scherp.

Maar mijn maag laat plots van zich horen, ik voel me niet lekker. Nog steeds ben ik niet goed wakker. Ik wrijf de prut uit mijn ogen en kijk nogmaals door het oculair. Wat een miserabel zicht. Ik dwaal af met mijn sterrenkijker in de hoop iets onverwachts tegen te komen. Tevergeefs.

Deepsky heeft weinig zin, zo laag aan de horizon op deze nevelige plek. Omdat ik mijn rood lampje niet bij heb kan ik zelf geen sterrenatlas raadplegen.

Ik wil opruimen, tot een donkergele ster me plots opvalt, net boven de bomenrij in het oosten. Een blik door de verrekijker doet mijn vermoeden bevestigen: Jupiter. Ik richt de sterrenkijker en kijk. Een gele bol zonder detail. Twee maantjes staan aan de linkerzijde vlakbij Jupiter. Aan de rechterzijde staat er eentje die nog dichter tegen de planeet lijkt te staan. Hoger vergroten heeft echter geen zin, bij een vergroting van 130 maal is de planeet zelfs niet meer scherp te stellen. Geen enkel detail laat zich zien, enkel een dikke waas rond de planeet.

Ik ruim alles op en start de auto weer. De autoruiten zijn vreselijk aangedampt, bijna beland ik in de sloot. Terug thuis laad ik voorzichtig alles uit, waarbij ik de inrichting van de auto weer netjes in de oorspronkelijke staat breng. Ik sluit de garagepoort en laat de auto buiten staan, ik wil zo weinig mogelijk lawaai maken. Op mijn sokken sluip ik naar boven en glijd ik terug in bed.

Het is drie uur. Slechts een uur ben ik weggeweest. Een uur. Bizar, alsof het gewoon een droom geweest is, alsof ik mijn bed niet ben uitgeweest.

Langzaam adem ik een keer diep in en weer uit. En nogmaals adem ik een keer diep en weer uit. Hier ben ik terug, bedje. Hier ben ik terug.

 
Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_________