Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoor, hoe mooi.

 

Antonio Vivaldi opent zijn concerto met een pendule waar alle ingrediënten van het leven in vervat lijken te zijn, en op het moment dat ik er naar luister lacht de autosnelweg me tegemoet. Een voorligger rijdt wel iets te traag naar mijn zin, ik duw het gaspedaal in en groet de bestuurder met een inhaalbeweging. Elegant, welteverstaan. Zoals het hoort bij Vivaldi.

Er zit een ziel in de muziek van Vivaldi, en al bollend over het asfalt gebeurt er iets magisch: plots zie ik gondels dobberen op Venitiaanse wateren, en hoor ik hoe de vogels de ochtend tot leven fluiten. Ik zie populieren die sierlijk buigen voor het gepreek van de wind, waarbij de zon al geeuwend haar zonnestralen uitrekt. Het zijn de dagdromen die bezit van me nemen. Dagdromen over oases van rust, dagdromen over een tuin van Eden, hier, op onze eigen planeet, Aarde genaamd.

Luister hoe die kleine tertstoonladder de ondertoon voert. Het herbergt het einde van alles, en je hoort het al vanaf het eerste akkoord. Het is de tragiek van het leven, het is de uitdijing van het heelal, die voelbaar is in elke vezel van mijn lijf.

Ik geniet er altijd van, van zo’n autorit richting waarneemplek. Het geeft me de energie die ik nodig heb om enkele uren te kunnen waarnemen. Het is een moment van bezinning, een moment van rust, alvorens ik mij overgeef aan het orgasme van het waarnemen.

Al moet ik toegeven dat het Duitse grondgebied mij tot opperste concentratie dwingt. Onverlichte wegen met haarspeldbochten, overstekende reeën en verscholen putten zorgen ervoor dat ik een zucht van opluchting sla als ik na een rit van twee uur eindelijk de eerste windmolen tegenkom. Hier zal ik vanavond waarnemen.

 

Schöneseiffen: 8.okt.2010, 21.00 uur

 

En hier stap ik dan ook uit de auto, waarop het mooiste hemelobject van de avond zich al meteen laat zien: de Melkweg. Nog nooit in mijn hele leven heb ik hem zo schoon en overweldigend gezien. Ik zou kunnen huilen van plezier.

Op het moment dat ik er met open mond naar kijk zie ik vanuit mijn ooghoeken vier schimmen uit het niets op me afkomen. Eén van die schimmen herken ik aan zijn gestalte. Het is Norbert Schmidt, alias Nop, de Jeremy Clarkson van het astrowereldje.

Er worden handen geschud, waarbij ook de anderen zich voorstellen en er een korte babbel volgt. Ik ben onder de indruk van dit gezelschap, en ik voel me eerlijk gezegd nog niet helemaal op mijn gemak tussen deze diehards, beginneling die ik ben. Het is hen menens, dat voel je gewoon.

Dit gevoel wordt nog versterkt wanneer ik het even later waag om in het pikdonker rond te dwalen, waarbij ik stapsgewijs prachtige maar tegelijkertijd imponerende telescopen ontdek. De dobsons van Redfish en Nop zijn een streling voor het oog en reiken bijna tot aan Sirius, en de 120 kg zware opstelling van Skyheerlen doet mij inwendig kirren van genot.

Lord-fornax heeft een iets kleinere dobson dan de mijne, maar qua waarneemervaring staat hij duidelijk al een stuk verder dan mij, waarbij hij, slechts gewapend met de pocket sky atlas, wazige sterrenstelsels vindt die ik zelfs met gedetailleerde sterrenkaartjes niet kan vinden (zie verder in het verslag).

Ja, ik voel mij klein bij dit gezelschap, en om hen zo min mogelijk te storen stel ik mijn kijker een eind verder van hen op, waarop Redfish mij bijna berispend terugfluit. Nederig stel ik mijn kijker vervolgens in hun waarneemkring op, waarop de start van het waarnemen gegeven wordt.

Alleen overweldigt de Melkweg me nog steeds, en terwijl de anderen vlijtig door hun kijkers turen, waarbij ik verschillende vreugdekreten hoor, sta ik nog steeds verweest naar boven te gapen. Ik krijg maar niet genoeg van die Melkweg.

Ik herken ook bijna geen sterrenbeelden meer. Cassiopeia zie ik staan, de Arend. Ik zoek me lazarus naar de Grote Beer, maar ik zie nergens een spoor van het pannetje. Ik vraag me af of ik gek geworden ben, en na vijf minuten radeloos zoeken waag ik het voorzichtig om de domste vraag ooit te stellen, en dat gaat ongeveer zo:

“Euh, mag ik eens iets vragen?”

Het gezellige geroezemoes stopt, en hoewel het pikdonker is voel ik alle hoofden plots naar mij gericht staan.

“Tuurlijk mag jij iets vragen.”

Ik slik en bijt door:

“Ja, maar het is een heel domme vraag hoor, ik bedoel, een écht heel domme vraag.”

Er volgt een stilte, en op het risico dat ik door Redfish terug naar mijn eerste opstelplek verbannen wordt, gooi ik het er gewoon uit:

“Waar staat de Grote Beer?”

 

De vraag wordt nogmaals gevolgd door een stilte, een bijna pijnlijke stilte zelfs, waarop Redfish plots uit de duisternis tevoorschijn komt en me, tot mijn opluchting, bijna vaderlijk te hulp schiet. Hij wijst me de Poolster aan met zijn vinger, en na wat turen zie ik die eindelijk staan. Nog nooit heb ik zoveel sterren in de buurt van de Poolster zien staan, en met de hulp van Redfish herken ik nu ook de Kleine Beer, waarop ik te horen krijg dat de Grote Beer gewoon achter de bomen verstopt zit. Oef.

Ik verstop me vervolgens tussen mijn uitklapbare tafeltje en de dobson, en het liefst van al wil ik even in de gesloten buis van mijn dobson kruipen, met de beschermkap erop. Maar aan de andere kant, de hemel smacht om op deze plek waargenomen te worden, en vol emotie huilen de sterren reeds de eerste druppels over mijn sterrenbuis. Vocht dat me deze avond behoorlijk parten zal spelen.

 

[ Tweede deel ]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SQM

begin: 20.93

einde: 21.12

_________