Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een lucida van waaruit twee rijen van heldere sterren lijken te vertrekken in een haast sterloze omgeving. NGC2232 is een sterrenhoop die smeekt om een lage vergroting. Het geheel toont zich als een portret dat alle aandacht opeist in een godvergeten plek en schittert als diamant, waardoor de hoop zich met veel grandeur in mijn oculair gooit. De hoop doet me aan een komeet denken, waarbij de lucida de kern is gevolgd door twee staarten van sterren.

Voor de tweede maal deze maand sta ik in een door mensenlicht aangetaste achtertuin, waar de lucht in tegenstelling tot de vorige avond wel een stuk transparanter te noemen is. De dob is na enkele uren afkoelen nog even droog als de humor van Philippe Geubels. Ook is de SQM met 0.30 gestegen ten opzichte van de vorige tuinsessie, en dat laat zich merken ook, want ik zie beduidend meer sterren aan het firmanent staan.

En ik twijfelde nog of ik naar buiten zou gaan, toen ik al knikkebollend voor de tv zat terwijl de rest van mijn lijf vastgelijmd leek aan de zetel. Waarom had ik die verdomde dob toch buitengezet?

Ondermeer voor deze hier: NGC2194, een ontzettend zwak en geheimzinnig clustertje dat een tsunami van emoties over mijn één meter negentig lange lijf laat rollen. Het amper te vatten wolkje grijpt me bij de keel, en tegelijkertijd word ik verpletterd door het besef hoe onmetelijk groot ons spiraalstelsel moet zijn.

Natuurlijk wil ik het ding wat gedetailleerder bekijken, ware het niet dat ik gehypnotiseerd lijk te worden door deze kosmische sirene. Het lukt mij amper om mijn blik af te wenden, en de schuld hiervoor ligt grotendeels bij de magische sterrenprikjes die zich perifeer laten zien, flikkerend als dwaallichtjes in een ver verleden.

Argh, weg met dat plösseltje! Tijd om de Pentax XW10 in de oculairhouder te wringen. Ik stel scherp en kwijl. De vorm is nu meer vierkant te noemen. Ik zie sterren die zich bij direct kijken al onmiddellijk durven te vertonen. Sterren die de fundering van het cluster lijken te vormen, begeleid door een zweem van neveligheid. Ik kan er niet aan doen, maar ik ben dól op zulke clusters.

Maar gulzig als ik ben wil ik meer. Ik blijf nog even in het machtige sterrenbeeld Orion slenteren, waar een planetaire nevel te vinden is, NGC2022 genaamd. En geloof het of niet, maar vanaf het moment dat het eerste licht van deze schijnbaar kleine nevel in mijn sterrentubus kruipt, schiet de eerste kick alweer door mijn stoffelijk lichaam. Ontzettend klein, wazig, een neveltje dat zich als de schaduw van een planeet lijkt te vermommen.

Vlug de Pentax erbij, waardoor ik opnieuw een schok krijg te verwerken alsof ik aan de pinnekesdraad blijf hangen. Machtig, dit kun je geen bolletje meer noemen, dit is gewoon een volwaardig rondje. Ik zie een schijf die even groot is als het beeld dat mijn 13 cm Newton van Jupiter zou laten zien, wanneer ik de planeet 26 maal vergroot. Bizar, alsof ik naar de schaduw kijk van een onzichtbare planeet. Grijs, rond, met een afgetekende doch ietwat wazige rand. Schoon jong. Echt.

Terug naar Monoceros, dat half verzuipt in de lichtprut van een slapend dorpscentrum. NGC2353 is een open cluster dat mij aan een walvis doet denken, zoals je die in tekenfilms ziet. Toch lijkt zich hier een drama te voltrekken, een heldere ster zit gevangen in de bolle buik van het beest, terwijl een getaande ster in het ruime sop om hulp lijkt te schreeuwen. De golven slaan me rond de oren als ik dit cluster observeer. Ik proef het zilte zeewater haast.

Met een vergroting van 48 maal vult het cluster bijna de volledige breedte van het plösseltje, dichterbij komen lijkt me te gevaarlijk. Jammer dat de walvis zwemt in het schuim van de woeste golven. Op een donkere plek komt ie volgens mij nog een stuk beter tot zijn recht.

Ik laat me met de stroming meedrijven en neem afscheid van het dier. En voor de tweede maal stoot ik op een sirene, ditmaal in de diepe oceaan van Monoceros, waardoor Claude Debussy plots in mijn hoofd begint te malen. NGC2506 toont zich ontzettend zwak in mijn oculair. Na wat geflirt lost de hoop uiteindelijk toch een klein deel van zijn geheim, en zie ik enkele sterren die wat verspreid staan van elkaar. Ze vormen een gebogen rechthoek die vergezeld wordt door een gloed van onopgeloste sterren.

Hoe langer ik naar het ding blijf kijken, des te meer krijg ik de indruk dat deze hoop geen lieverdje is. Het lijkt haast alsof ik naar een evil starship zit te kijken, een alienachtige spookverschijning. Ben ik in de val gelokt?

Monoceros lijkt wel de Bermudadriehoek van de kosmos te zijn. Ik duik weg van het oculair en waag mij terug naar veiliger oorden. Mijn volgende doelwit is een planetaire nevel in het sterrenbeeld Tweeling: NGC2371. De uitdaging is volgens O’ Meara om de nevel te kunnen splitsen in twee delen. De foto in O’ Meara’s boek spreekt in ieder geval boekdelen, dit lijkt mij een prachtig hemelobject.

Ik moet de dobson een stuk meer naar het zenit richten nu, en al vlug zie ik iets klein en wazigs door het plösseltje. De spanning stijgt, ik vergroot onmiddellijk tot 120 maal, en jawel, wat een fascinerend ding! Bij perifeer kijken kan ik duidelijk twee delen zien in de nevel, en bij 240 maal is de brug nog een stuk duidelijker te zien. Het lijkt op een ballon die in het midden is samengeknepen door een strak en donker snoer. De centrale ster kan ik onmogelijk zien, maar de nevel zelf is gewoonweg smashing. Wat een juweeltje alweer, die rigor mortis van een ooit springlevende ster.

In het sterrenbeeld Lynx vind ik nog zo’n spannende uitdaging. De bolhoop NGC2419 toont zich zo ontzettend zwak in het plösseltje dat ik er koude rillingen van krijg, mede door de omgevingssterren die de bolhoop naar de voorgrond lijken te tillen. Ik zie drie heldere sterren die de vorm van het steeltje van Ursa Major nabootsen. Ze lijken de bolhoop als een wijsvinger aan te raken. Een zeer diffuus hoopje waar ik geen enkele ster in kan oplossen, maar het feit dat ik deze in mijn achtertuin kan zien vervult mij weer mateloos van genot.

En voor mijn laatste object draai ik de dobson naar het sterrenbeeld Leeuw, waar twee sterrenstelsels de liefde bedrijven. NGC3227 en NGC3226 zijn bij een vergroting 48 maal zeer zwak te zien. De kijker lichtjes bewegen helpt ze tevoorschijn komen. Bij 120 maal openbaart zich na lang genoeg turen een magisch schouwspel en herken ik duidelijk de vorm zoals die op de foto in het boek van O’ Meara te zien is.

NGC3227 is duidelijk het grootste stelsel en toont een heldere en opvallend kleine kern die omringd wordt door een ijle maar relatief grote vlek. NGC3226 daarentegen laat geen puntige kern zien en is opvallend kleiner, ronder ook, al lijkt dit stelsel in zijn volledige omvang helderder te zijn dan 3227. Dit vrijend duo doet mijn hart overslaan, waarop ik de sterrenkijker weer naar binnen draag en ik me met bekwame spoed naar de woonkamer rep. Maar tot mijn verbazing blijkt het er pikdonker te zijn. Miljaar, is het al zó laat?

 

 

 

 

Vorig verslagvolgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

lichtvervuiling:

vreselijk

 

SQM

begin: 19.90

einde: 19.90

 

transparantie:

goed

 

temperatuur:

-1° C

 

_________

 

 

 

Orion XT10