Sterrenplezier.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5 augustus 2010

 

 

Het is donderdagnacht, 5 augustus 2010, kwart na elf, en eindelijk is het weer zover. Ik sta op een verlaten aardeweg tussen de weilanden en maďsvelden, op een veilige afstand van de bewoonde wereld. Enkele uren geleden viel de regen nog met bakken uit de hemel, doch van enig wolkje is nu geen spoor meer te bekennen, al is de luchtvochtigheid wel verschrikkelijk te noemen. De nevel likt mijn knieën.

Maar ik mag niet klagen, de rust overvalt me, en ik ruik de natuur. Donker kan je het nog niet echt noemen, 
al zie ik al wel een lichte sluier van Melkweg door de Zwaan lopen. Geen tijd te verliezen dus.

Als eerste object heb ik een simpel sterretje uitgekozen: HIP 56948, te vinden in het sterrenbeeld Draak. Een ster die exact dezelfde grootte, massa, temperatuur en chemische samenstelling heeft als onze zon. Ongelooflijk, en je vindt natuurlijk wel meer van die sterren, zoals 18 Scorpii of HIP 100963, maar die sterren bevatten nog beduidend meer lithium dan onze zon. HIP 56948 blijkt net hetzelfde lithiumgehalte te hebben als onze zon, waardoor de ster in vergelijking met 18 Scorpii of HIP 100963 een stuk minder actief is, en ook minder vatbaar is voor uitbarstingen, wat de kans op leven aanzienlijk vergroot.

De ster laat zich tot mijn opluchting makkelijk vinden. Iets boven het pannetje van de Grote Beer vind je de staart van de Draak, waar de ster Giausar staat. Giausar is trouwens een streling voor het oog, in het 25 mm plösseltje valt de diep oranje kleur mij onmiddellijk op. In hetzelfde beeldveld staat ook 2 Dra al te pronken, in dezelfde kleur als Giausar, zij het wat minder helder, en ik hoef de kijker slechts een klein stukje verder te draaien, waarop HIP 56948 al tevoorschijn komt.

Een redelijk zwak maar niet te missen sterretje, dat samen met twee fellere sterren een rechthoekige driehoek vormt. Ik krijg meteen het gevoel dat ik het mooiste object van deze avond gevonden heb. Zo ziet onze zon er dus uit op andere werelden. Waanzinnig gewoon. Het valt me ook op dat het geen witte ster is, de ster is eerder gelig van kleur. Ik zie een duidelijk volwassen ster onder ogen.

Ik kijk ook even naar de donkere leegte rond de ster, waar zich ongetwijfeld planeten moeten bevinden. Gasreuzen zoals Jupiter en Saturnus, maar ook terristrische planeten, met bergen en ravijnen, wolken en wind. Met een beetje geluk barst het er van het leven, en grazen er allerlei vreemdsoortige wezens. Wie weet vind je er zelfs gedichten. Onbekende werelden, waarvan we nooit zullen kunnen genieten, want HIP 56948 bevindt zich op iets meer dan 200 lichtjaar van onze blauwe planeet. Onbereikbaar ver dus.

En ik moet mezelf dwingen om ervan weg te kijken, want ik zou er gerust heel de nacht naar kunnen gapen. Maar ik draai de kijker naar een compleet andere richting en reis verder naar de oudste bewoners in het heelal: de sterrenhopen die zwalken in de bolvormige halo van ons afgeplatte sterrenstelsel, een plek waar de tijd lijkt stil te staan. Een van die bewoners, M2, telt maar liefst 150.000 sterren. Onvoorstelbaar.

M2 gooit zich onverwacht brutaal in mijn beeldveld. Met het plösseltje valt onmiddellijk op hoe dik de kern van deze bolhoop is. De kern is ook opvallend fel, en de randen van de dunne wand verdwijnen spoorloos in het niets. Met deze lage vergroting (48x) laat de bolhoop geen afzonderlijke sterren zien, maar de bolhoop zelf is gewoonweg spectaculair te noemen.

Met de XW10 (120x) wordt het alleen maar mooier. Een prachtige bol verschijnt op mijn netvlies en geeft mij rillingen van genot. Toch is het opvallend hoe weinig sterren zich laten oplossen. Ik zie er wel een aantal dichtbij de kern, maar het gros van die 150.000 sterren blijft zich hullen in een waas van geheimzinnigheid.

In onze Melkweg zijn er zo’n 150 bolhopen bekend, maar vermoedelijk liggen er achter de dikke stofslierten van onze Melkweg nog meer van die oeroude clusters verstopt. Ik richt de kijker naar het sterrenbeeld Pegasus, waar een andere bolhoop zijn verrimpelde gelaat toont: M15, die net zoals M2 in 1746 bij toeval ontdekt werd door de Italiaanse astronoom Jean-Dominique Maraldi.

Maraldi beschreef M15 als een nevelig sterretje, en ik heb een beetje met de man te doen, want zie mij nu zitten met mijn 25 cm Newtontelescoop. Als Maraldi toen door mijn kijker kon kijken, zou hij zijn witte pruik ongetwijfeld in de lucht gegooid hebben, gillend als een speenvarken.

Met de laagste vergroting kan je M15 niet missen, en de bolhoop toont zich geenszins als een nevelig sterretje. De heldere kern valt zeer goed op, al is de kern van M15 een stuk minder dik dan die van M2. De randen lijken ook iets verder uit te waaieren, ook al kan ik bij deze lage vergroting geen sterren oplossen.

En dan doe ik iets wat volgens mij heiligschennis is, maar ik kom plots tot de vaststelling dat mijn vangspiegel aangedampt is. De drang om verder te kijken is overweldigend, en om het euvel te verhelpen zie ik geen andere oplossing dan de vangspiegel met mijn zakdoek droog te wrijven. Het voelt verschrikkelijk verkeerd aan, maar ik kan weer even verder kijken.

Met de XW10 valt mij ook duidelijk op dat M15 een andere structuur heeft dan M2. Er lossen veel meer sterren op die opvallend ver uitlopen. Bij M2 bleven de sterren rond de dikke kern zwerven. Nu zie ik heel andere structuren tevoorschijn komen. Uniek, wat een lichtspektakel alweer.

In 1928 vond de Amerikaan Francis Gladheim Pease een planetaire nevel in bolhoop M15, die hij prompt Pease 1 noemde. Met mijn sterrenkijker is die planetaire nevel niet te zien, al is het met grote kijkers visueel wel mogelijk. Toch een beetje jammer dat de nevel voor mijn verwijde pupil onzichtbaar blijft. Size does matter.

Om dit enigszins teleurstellend gevoel door te slikken richt ik de sterrenkijker naar het sterrenbeeld Zwaan, waar zich een planetaire nevel bevindt die hopelijk wel tastbaar is: NGC7008. De nevel zou een opvallende vorm hebben die op een embryo gelijkt. Er begint iets te borrelen in mij, ik wil en zal een planetaire nevel zien!

Maar na een half uur zoeken begint het langzaam tot me door te dringen: ik krijg de nevel niet te pakken. De object locator stuurt mij telkens naar de verkeerde plek, en om dit rampscenario te vermijden had ik enkele plannetjes afgedrukt, maar ik verdwaal hopeloos in de oceaan van Melkweg. Daarbij bevindt de plek zich bijna in het zenit, en de dobson weigert plots alle medewerking. Wat een pech. Ik blijf zoeken, maar ik krijg het plots zo erg op mijn heupen dat ik er uiteindelijk de brui aan moet geven. Miljaar toch, dedju, aaaaaaarg!!!

Na nog wat hopeloos gezucht en gemor probeer ik weer in een toestand van ‘zen’ te komen, en maan ik de dobson aan tot medewerking. De kijkerbuis wordt iets meer naar beneden geschoven, waarop ik bij een sterrenbeeld passeer dat mij aan vroeger doet terugdenken:

 

 

Eén van de hoofsterren van dit schattige sterrenbeeld is Gamma Delphini, die met het blote oog duidelijk zichtbaar is.

Sprankelend, want de ster is een dubbelster waarvan de hoofdster volgens Wikipedia zeven keer meer licht uitstraalt dan onze zon. De oranje subreus die de ster vergezelt straalt zelfs 20 keer meer licht uit dan onze zon, maar heeft beduidend minder massa dan zijn geelwitte kompaan, waardoor de minireus gedoemd is om de begeleiding te spelen in dit kosmisch samenspel.

Met het plösseltje laten de sterren zich al netjes scheiden, al is er van een echt kleurverschil nog niets te zien. Het lijken gewoon twee oranjekleurige sterren, en pas bij goed turen zie je dat de sterren een verschillende helderheid hebben. Met de 5mm Stratus (240x) laten de sterren zich al een stuk beter zien, en het kleurverschil valt nu ook duidelijk op. De minireus is de helderste en meest oranje ster, terwijl de hoofdster een stuk zwakker is en meer gelig van kleur is, met zelfs een tikkeltje blauw erbij. Een leuk dubbeltje.


Lees het vervolg

 

Vorig verslag / volgend verslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SQM

begin: 19.80

midden: 20.30

_________